Make your own free website on Tripod.com
Tahirih Qurratu'l-`Ayn
Táhirih een religieus voorbeeld voor de vrouw
Deel 1
Door:Susan Stiles Maneck [1]

Iedere religie kent haar voorbeeld van 'de ideale vrouw'. In het Hindoeďsme was dit Sita, de volmaakte vrouw, die ten koste van alles trouw bleef aan haar echtgenoot. In het Christendom was de Maagd Maria de meest verheven vrouw, symbool van het moederschap. De Islam heeft Fátimih, de dochter van Muhammad, die de rol vervult van zowel moeder, vrouw en dochter.

Táhirih, het basismodel voor de vrouw in het Bahá'í Geloof, zorgt voor een verrassend contrast met de voorgaande voorbeelden. Door de Bahá'ís wordt zij niet gezien als de ideale vrouw, moeder en dochter, maar als de dappere, welsprekende en zelfbewuste religieuze voorvechtster, door wier handelingen de Bábí's van het eerste uur zich volkomen onderscheidden van hun Islamitische tijdgenoten.

In dit artikel gaat de schrijfster dieper in op de biografische details van Táhirih's leven, waarbij ze zich concentreert op haar jaren als leidinggevend persoon van de Bábí gemeenschap in de periode van 1844 tot aan haar terechtstelling in 1852. Maar vooral wil zij de betekenis aantonen die Táhirih als geëmancipeerde vrouw voor de Bahá'ís heeft.

Inleiding
Iedere religie begint als een hervormingsbeweging met de bedoeling om het maatschappelijke stelsel te veranderen. Zij geeft een nieuwe visie en nieuwe idealen om naar te streven. Zijn de doelen van een religie min of meer vervuld, dan is de tijd weer rijp voor vernieuwing die gepaard gaat met hogere idealen. Houdt men echter vast aan het oude, dan treedt verstarring op en de vooruitgang stagneert.

Iedere religie geeft haar beeld van de ideale vrouw. In het Hindoeďsme was dat Sita, de volmaakte echtgenote, die ten koste van alles trouw blijft aan haar echtgenoot. In het Christendom is het de Maagd Maria, symbool van het moederschap die, hoewel toegewijd aan haar zoon, discreet op de achtergrond blijft als Hij Zijn predikerswerk verricht. Dan is er Fátimih, de dochter van Muhammad, die tegelijkertijd de rol vervult van moeder, echtgenote en dochter.

Met Táhirih, de bekendste vrouw in de Bábí-Bahá'í geschiedenis, wordt een totaal ander beeld van de ideale vrouw gegeven[2]. Deze begaafde dichteres was alles behalve een plichtsgetrouwe dochter; ze verzette zich voortdurend tegen de theologische beweringen van haar vader, Mullá Sálih, een vooraanstaand Moslim geestelijke in Qazvín. Evenmin wordt Táhirih bewonderd om haar succes als moeder en echtgenote, aangezien de vervreemding tussen haar en haar man (ook een geestelijke) uitliep op een gedwongen scheiding; ook van haar kinderen. Geen wonder, dat zij voor de Moslims het bewijs vormt van hoe riskant het is om vrouwen meer vrijheid te geven.

Dit artikel tracht de betekenis van Táhirih, zowel historisch als letterkundig, weer te geven. Maar ook haar betekenis als symbool van de vrouw voor deze tijd, waardoor ze de aandacht van vele mensen, zowel Bahá'ís als niet-Bahá'ís, uit het oosten of het westen heeft getrokken.

Levensbeschrijving
Hoe was het mogelijk, dat een vrouw in Perzië, waar zij als een zwak schepsel beschouwd wordt en ook nog in een stad als Qazvín, waar de geestelijkheid zo'n grote invloed bezat, waar de 'ulamás door hun aantal en gewichtigheid de aandacht trokken van de regering en de bevolking, hoe was het mogelijk dat juist daar, onder zulke ongelukkige omstandigheden, een vrouw zo'n sterke groep 'ketters' kon organiseren? Dat is een vraag, waarop zelfs de Perzische geschiedkundige Siphr geen antwoord weet, want zoiets was nog nooit eerder gebeurd. Journal Asiatique

Táhirih's achtergrond was bepaald ongunstig. Desondanks zou zij zich later doen gelden door leiding te geven aan de strijdbare, tegen de geestelijkheid gerichte Bábí beweging, en volgens Shoghi Effendi's woorden: "De eerste vrouwelijke martelaar voor het stemrecht" worden. Fátimih Zarín Táj Baraghání, beter bekend onder haar titels Qurratu'l-'Ayn en Táhirih, werd geboren in de meest vooraanstaande familie van 'ulamás van Qazvín. (omstreeks A.H. 1233 / A.D. 1817-1818).

Haar vader Mullá Muhammad Salíh, en haar oom Mullá Muhammad Taqí, stonden aan het hoofd van meer dan honderd geestelijken die in de stad woonden. Muhammad Salíh was bekend door zijn commentaren op de Qur'án. Bij het uitoefenen van de religieuze wetten had hij de reputatie onbuigzaam en hard te zijn. Zijn broer Mullá Muhammad Taqí had zijn positie bereikt door het meedogenloos aanklagen van rivalen, waaronder vooral de aanhangers van de Shaykhí school [3], die hij tot gevaarlijke ketters verklaard had en wiens leider, Siyyid Kázim , hij geëxcommuniceerd had. Een jongere broer van de twee mullá's accepteerde de gezichtspunten van de Shaykhí beweging en werd een standvastig volgeling van Siyyid Kázim Rashtí.

Táhirih en haar jongere zuster Marzi-yih werden opgevoed in een streng religieuze, doch weelderige omgeving. Táhirih's vader zag haar buitengewone bekwaamheid en stond haar toe verder te studeren, zodat zij wat kennis betreft ver boven het lage niveau, normaal voor een vrouw in haar positie, uitsteeg. Zij overtrof haar broers [4] verre in theologische en juridische kennis.

Op dertienjarige leeftijd werd Táhirih uitgehuwelijkt aan de oudste zoon van haar oom Mullá Muhammad Taqí. Uit dat huwelijk werden drie kinderen geboren, twee zoons [5] en een dochter.

Toen Táhirih zich aangetrokken voelde tot de leringen van de Shaykhí's, leidde dit spoedig tot spanningen in de familie. Haar vader, echtgenoot en oom probeerden haar te weerhouden zich met de ideeën van Siyyid Kázim Rashtí in te laten, maar zonder succes. Door bemiddeling van haar familieleden die tot de Shaykhí's behoorden, correspondeerde zij met de leider van de school en schreef ter verdediging van hem een verhandeling. Siyyid Kázim, die verheugd was zo'n talentvolle aanhangster te hebben in de naaste familie van zijn aartsvijand Muhammad Taqí, gaf haar de naam Qurratu'l-'Ayn, hetgeen 'Troost voor de ogen' betekent. Táhirih's relatie met haar man werd snel slechter. Toen haar schoonvader vanaf de kansel de Shaykhí's publiekelijk aan de kaak ging stellen, besloot zij haar man en kinderen te verlaten en naar haar vaders huis terug te keren. Kort daarop vertrok zij naar Karbilá om zich daar bij de kring van de Shaykhí's te voegen.

Zij arriveerde eind 1843 in Karbilá, slechts om te ontdekken dat Siyyid Kázim juist enkele dagen daarvoor overleden was. Op het tijdstip van haar aankomst deed zich een geschil voor binnen de Shaykhí gemeenschap. Ze waren verdeeld in twee kampen, namelijk zij die de nadruk legden op de charismatische en mystieke aspecten van de Shaykhí-leringen en de meer conservatieve leden, die hun erkenning binnen de Sjii'tisch orthodoxe leer wilden behouden. De 'radicale' Shaykhí's hielden vol dat de centrale leerstelling bestond uit het geloof in de op handen zijnde verschijning van de Qá'im of Mihdí, de Beloofde voor het eind der tijden. Táhirih schaarde zich aan de zijde van de radicalen. Door zich aan te sluiten bij de weduwe van Siyyid Kázim, zocht zij zowel de steun van de Shaykhí vrouwen in Karbilá, als van de andere leerlingen en aanhangers van de overleden Siyyid. Toen zij eenmaal in Siyyid Kázims huis woonde, begon zij de lessen die altijd door Siyyid Kázim gegeven waren, over te nemen. Tot grote ergernis van de zoon van Siyyid Kázim, Mullá Ahmad, die zijn vader wilde opvolgen.

Toen de Báb opstond en verkondigde dat Hij de Beloofde was, accepteerde Táhirih dit onmiddellijk. Zij overtuigde de meeste leden van de Shaykhí-gemeenschap uit Karbilá om haar voorbeeld te volgen. De Báb benoemde haar tot een van de negentien 'Letters van de Levende.' [6] Haar band met de Báb was niet zozeer het gevolg van een uitgebreid onderzoek van de principes van het geloof, maar ontstond na een mystieke ervaring.[7]

De nog bewaard gebleven gedeelten van haar werk [8] uit deze periode, bewijzen haar aanzienlijke bekwaamheid om met behulp van de Qur'án, de hadíth en de tafsír, Gods voortschrijdende openbaring door de geschiedenis heen te bewijzen. Tegelijkertijd beweerde zij met klem dat men over een innerlijk bewustzijn van Gods Plan moest beschikken om Gods werk, in het bijzonder zoals gemanifesteerd in de persoon van zijn Profeten, te kunnen herkennen.

Omdat zij beweerde dat veel van de Islamitische wetten niet langer bindend waren voor de Bábí's, weigerde zij de dagelijkse rituele gebeden te verrichten. Tegelijkertijd bracht zij een aantal nieuwe dingen in de Bábí gemeenschap van Karbilá. Haar gevaarlijkste en meest onconventionele daad was het ongesluierd verschijnen op een bijeenkomst van gelovigen. Abbas Amanat oppert dat dit waarschijnlijk de eerste keer was, dat een Iraanse vrouw op eigen initiatief de sluier afdeed.

De kring vrouwen die zij om zich heen verzamelde, eerst in Karbilá, en later in Qazvín, Hamadan, Baghdad en Tihrán, bestond uit de eerste groep Iraanse vrouwen die zich bewust werd van haar achtergestelde positie als vrouw. Het was niet de bedoeling van Táhirih een soort vrijheidsbeweging voor vrouwen op te zetten, in de betekenis die we er nu aan geven. Nee, Táhirih zag het afleggen van de sluier door de vrouw duidelijk als een daad van religieuze vernieuwing. Noch het werk van Táhirih, noch de Geschriften van de Báb, hebben als zodanig betrekking op de kwestie van de rechten van de vrouw.[9] Blijkbaar ervoer Táhirih de Openbaring van de Báb als bevrijdend, ongeacht of Hij al of niet de positie van de vrouw in het bijzonder vermeldde.

Táhirih's activiteiten werden de oorzaak van een enorm twistpunt binnen de Bábí gemeenschap. Veel Bábí's zagen de Openbaring van de Báb niet als een totale breuk met het verleden of met de Islamitische wetten. Zij beschouwden het gedrag van Táhirih als schandelijk en onkuis. Om deze reden, in antwoord op de klachten over Táhirih, gaf de Báb haar de titel waaronder zij nu bekend staat; Táhirih, hetgeen 'de Zuivere' [10] betekent. Als gevolg van Zijn reactie (op hun kritiek op het gedrag van Táhirih), verlieten veel van de meer conservatieve Bábí's de groep volgelingen, hoewel de meesten het oordeel van de Báb accepteerden.

De oppositie van de 'ulamás werd nog sterker. Veel van Táhirih's gedichten uit deze periode waren fel anti-geestelijkheid. Zij daagde de 'ulamás regelmatig uit met het doel hen te betwisten. In 1847, tijdens de maand Muharram, op het tijdstip dat de Sjii'tische Moslims rouwkleren aantrokken om het martelaarschap van de Imam Husayn te herdenken, lokte Táhirih opzettelijk hun reactie uit door zich in vrolijke kleren te hullen en ongesluierd te verschijnen. Zij spoorde de Bábí's aan om de geboortedag van de Báb te vieren, die op de eerste dag van die maand viel. De in woede ontstoken 'ulamas hitsten het gepeupel op om het huis van Siyyid Kázim aan te vallen. Tenslotte kwam de gouverneur van Karbilá tussenbeide. Hij plaatste haar drie maanden onder huisarrest voordat hij haar toestond naar Baghdad te reizen.

Vergezeld door de vooraanstaande Bábí-vrouwen van Karbilá en een aantal Shaykhí's, die haar toegewijde volgelingen waren, ging Táhirih op weg naar Baghdad waar zij haar activiteiten voortzette. Zij gaf regelmatig openbare lezingen van achter een gordijn.[11] Dikwijls waren de 'ulamas bij deze lezingen aanwezig om haar argumenten te weerleggen.

Op een van deze gelegenheden was de joodse arts van de Sjah aanwezig, die de vorst op zijn pelgrimsreis naar Karbilá vergezelde. Hij werd geheel overtuigd van de waarheid van Táhirih's boodschap. Deze arts, dr. Hakím Masih, was de eerste Bábí van Joodse afkomst.

Deze bekering wekte nieuwe tegenstand op en veroorzaakte de gevangenneming van Táhirih in het huis van de Muftí van Baghdad, Ibn Alúsí. Ibn Alúsi beschreef later zijn waarnemingen met betrekking tot Táhirih: "Sommige mensen beweerden dat Táhirih in de algehele afschaffing van alle plichten geloofde, maar dit was volgens mij een misvatting. Ofschoon zij ongeveer twee maanden in mijn huis verbleef en wij veel discussies voerden, huichelde zij niet en toonde zij geen vrees. Werkelijk, ik zag in haar een mate van verdienste en talent, zoals ik zelden in mannen aantrof. Zij was een wijze en fatsoenlijke vrouw, uniek in deugdzaamheid en kuisheid...."

Táhirih stond niet terecht wegens afvalligheid, want de gebruikelijke straf voor deze misdaad was de doodstraf. Deze kon echter niet bij vrouwen uitgevoerd worden. Inmiddels was haar familie in Qazvín behoorlijk uit het veld geslagen door haar activiteiten. Vooral het afdoen van de sluier leidde tot geruchten over onzedelijkheid. Táhirih's vader zond een familielid naar Iraq, die de gouverneur ertoe bewoog, haar deportatie naar Iran te bevelen. Waar zij ook reisde, er ontstond steeds meer opwinding onderweg. In het dorp Karand zweerden zo'n 1200 mensen haar onmiddellijk hun trouw. In Kirmánsháh echter, veroorzaakten haar activiteiten zo'n oproer, dat de Bábí's door de menigte aangevallen en uit de stad verdreven werden. Echter niet voordat Táhirih erin geslaagd was de leringen uiteen te zetten aan de vooraanstaande vrouwen van Kirmánsháh, waaronder de vrouw van de gouverneur, die lange tijd de Shaykhí's beschermd had. In Hamadán ontmoette Táhirih zowel de leidinggevende 'ulamás als de meest vooraanstaande vrouwen van de stad, waaronder leden van de koninklijke familie.

Bij haar aankomst in Qazvín drong haar man Mullá Muhammad, van wie ze al lang vervreemd was, er op aan om terug te keren naar zijn huishouden. Zij antwoordde: "Als je werkelijk een trouwe kameraad en levensgezel van mij wilde zijn, zou je je gehaast hebben om mij in Karbilá te ontmoeten en de hele weg naar Qazvín te voet mijn howdah begeleid hebben. Ik zou, terwijl ik samen met je reisde, je uit de slaap van onachtzaamheid hebben gewekt en je het pad van de waarheid getoond hebben. Doch dit mocht niet zo zijn. Er zijn drie jaar verlopen sinds onze scheiding. Noch in deze, noch in de volgende wereld, kan ik ooit met jou verenigd zijn. Ik heb je voorgoed uit mijn leven verbannen."

Táhirih's oom en schoonvader, Muhammad Taqí, had de reputatie dat hij fel gekant was tegen zowel de Bábí's als de Shaykhí's. Bij talloze gelegenheden zette hij de menigte gewelddadig tegen hen op. Na een van deze incidenten besloot Mullá 'Abdu'lláh, een sympathisant van de Shaykhí's en de Bábí's, wraak te nemen. Toen Mullá Taqí in de plaatselijke moskee verscheen om zijn ochtendgebeden te zeggen, gaf Mullá 'Abdu'lláh hem een dodelijke dolksteek en vluchtte.[12]

Dit leidde tot de arrestatie en marteling van vele Bábí's in Qazvín. Táhirih werd ook gevangen gezet. Om deze orgie van geweld te stoppen, gaf Mullá 'Abdu'lláh zich over. Toch werden de andere Bábí's niet vrijgelaten en velen werden geëxecuteerd. Táhirih ontsnapte door de hulp van Bahá'u'lláh. Deze liet haar naar Zijn huis in Tihrán brengen.[13]

'Abdu'l-Bahá riep die dagen weer in herinnering:
"Toen het nieuws over de ontsnapping zich door heel Tihrán verspreidde, zocht de regering haar overal. Niettemin bleef er een gestage stroom van Bábí's komen om haar te bezoeken. Táhirih, gezeten achter een gordijn, sprak met hen. Op een dag was de bekende Siyyid Yahyá, bijgenaamd Váhid, aanwezig. Terwijl hij buiten zat, luisterde Táhirih naar hem van achter het gordijn. Ik was toen een kind en zat op haar schoot. Welsprekend en vol vuur hield Váhid een rede over de tekenen en verzen die getuigden van de komst van de nieuwe Manifestatie. Plotseling onderbrak zij hem en terwijl zij haar stem verhief verklaarde zij onstuimig: "Oh, Yahyá! Laat daden, niet woorden getuigen van uw geloof, indien gij een man zijt van ware geleerdheid. Houd op met het nutteloos herhalen van de tradities uit het verleden, want de dag van dienstbaarheid, van standvastig handelen is aangebroken. Het is nu de tijd om de ware tekenen van God te tonen, om de sluiers van nutteloze verbeelding uiteen te scheuren, om het Woord van God te verkondigen en onszelf op Zijn pad op te offeren. Laat daden, niet woorden ons sieren!"" "Memorials of the Faithful", pag. 200

Er volgde een algemene oproep aan de Bábí's om zich te verzamelen in Khurásán. Táhirih en Bahá'u'lláh gaven hier beiden gehoor aan en reisden samen naar de plaats Badasht, waar 81 Bábí's bijeenkwamen om te bespreken hoe zij de bevrijding van de Báb uit de gevangenis konden bewerkstelligen en om de toekomstige richting van de Bábí gemeenschap te bepalen. Tijdens de vergadering ontstond er een gespannen sfeer tussen Táhirih, die leiding gaf aan de meer radicale Bábí's die zowel een complete breuk met de Islam als de militante verdediging van hun gemeenschap voorstonden, en Quddús, leider van de meer conservatieve Bábí's die een beleid van vernieuwing binnen de Islam en een voorzichtige verzoening van religieuze en wereldlijke macht steunden. Over het algemeen accepteerden de Bábí's Quddús als de leider van de volgelingen van de Báb. Er wordt verhaald dat Táhirih met betrekking tot Quddús heeft gezegd: "Ik beschouw hem als ... een leerling die de Báb mij heeft gestuurd om te onderrichten. Ik zie hem in geen ander licht." Quddús stelde op zijn beurt Táhirih aan de kaak als "de bron van ketterij". Op een gegeven moment, toen Quddús verzonken was in gebed, stormde Táhirih haar tent uit, zwaaiend met een zwaard. "Het is nu niet de tijd voor gebeden en om in aanbidding ter aarde te liggen," verklaarde zij, "het is nu de tijd voor het slagveld van liefde en opoffering!"

Haar meest verrassende daad echter, was ongesluierd te verschijnen voor de verzamelde gelovigen. Shoghi Effendi beschrijft deze scčne levendig: "Táhirih, beschouwd als het zuivere en smetteloze toonbeeld van ingetogenheid en als de belichaming van de heilige Fátimih, verscheen fraai gekleed maar ongesluierd voor de verzamelde vrienden; zij ging aan de rechterkant van de verschrikte en woedende Quddús zitten en, doordat zij met haar vurige woorden de sluiers die de heiligheid van de verordeningen van de Islam behoedden, vaneen reet, liet zij het klaroengeschal weerklinken en kondigde de plechtige inwerkingtreding van de nieuwe Beschikking af. Dit had het effect van een elektrische schok en werkte onmiddellijk."

Ondanks de grote hilariteit die Táhirih met dit optreden veroorzaakte, was zij totaal niet uit het veld geslagen. Bedaard maar toch opgetogen eindigde ze met deze boude bewering: "Ik ben het woord dat de Qá'im moet spreken, het woord dat de leiders en edelen op aarde de vlucht zal doen nemen!" ("God schrijdt voorbij", pag. 35)

Táhirih won, tot grote verslagenheid van vele Bábí's, Quddús voor haar standpunt.[14] Hun verzoening was zo volledig, dat ze samen in dezelfde howdah vertrokken. Toen zij het dorp Níyálá naderden, werd de plaatselijke mullá bij het zien van een ongesluierde vrouw, die naast een man zat en hardop gedichten zong, van afschuw vervuld en zette vervolgens het gepeupel tegen hen op. Verscheidene mensen vonden de dood bij de daarop volgende confrontatie en de Bábí's werden in verschillende richtingen uiteen gejaagd.

Van 1848 - 1850 kwam het regelmatig tot een gewelddadig treffen tussen de Bábí's en de regeringstroepen. Veldslagen vonden plaats in Mázindarán, Zanján en Nayríz. Táhirih trok, zich steeds verschuilend, gedurende ongeveer een jaar van dorp tot dorp. Omstreeks 1849 arresteerden de autoriteiten haar op beschuldiging van medeplichtigheid aan de moord op haar oom. Zij brachten haar naar Tihrán, waar zij gevangen gezet werd in het huis van de Kalantar (burgemeester). De vrouw van de Kalantar raakte zeer gehecht aan Táhirih en weer kwamen de vrouwen in groten getale bijeen om naar de verhandelingen van Táhirih te luisteren.

Op 9 juli 1850 werd in Tabríz de Báb terechtgesteld op bevel van de Sjah. Twee jaar later wilde een kleine groep Bábí's wraak nemen en probeerde de Sjah te vermoorden. De poging mislukte en daarop volgde een ware slachting onder de Bábí's. De regering besloot om ook Táhirih terecht te stellen. Volgens een Europese waarnemer werd Táhirih, voordat haar terechtstelling werd bekrachtigd, voor Násiri'd-Dín Sháh geleid. Hij deed Táhirih een huwelijksaanzoek onder de voorwaarde dat zij haar ketterse geloof zou herroepen. Táhirih's meest beroemde gedicht werd geschreven als een openlijke weigering op zijn voorstel. Nadat zij ondervraagd was door twee oudere mujtahids, Mullá 'Alí Kaní en Mullá Muhammad Andirmání, kleedde Táhirih zich in een bruidsjurk voor haar martelaarschap. In september 1852 werd zij naar een tuin gebracht, gewurgd en in een put geworpen. Vlak voor haar dood heeft zij zich nog tot haar bewakers gewend en bondig verklaard: "U kunt mij doden zodra gij dat wenst, maar u kunt de emancipatie van de vrouw niet tegenhouden."

NOTEN

1] Een eerdere versie van deze lezing werd gegeven op een seminar voor vrouwen over literatuur uit het Midden-Oosten en Zuid-Azië, geleid door dr. Leslie Flemming van de universiteit van Arizona. De schrijfster betuigt haar dank aan dr. Flemming voor haar nuttige kritiek op dit werk, waarvoor een prijs werd toegekend door de American Academy of Religion.

2] Vanuit theologisch standpunt bezien is Táhirih niet de belangrijkste vrouw in het Bahá'í-geloof; deze onderscheiding wordt toegekend aan Navváb, de vrouw van Bahá'u'lláh en aan Bahíyyih Khánum, Zijn oudste dochter. Over Navváb is slechts weinig geschreven, maar over Bahíyyih Khánum is veel meer bekend, daar zij verscheidene keren optrad als 'plaatsvervangend hoofd' van de bahá'í-gemeenschap. Gewoonlijk wordt zij afgebeeld als degeen die een ondersteunde taak vervulde met betrekking tot 'Abdu'l-Bahá en Shoghi Effendi, maar volgens de schrijfster speelde zij veel meer een onafhankelijke rol. Zij geniet lang niet zoveel belangstelling binnen de bahá'í-gemeenschap als Táhirih, wier persoon en leven een legende is geworden. Zowel in Iran als in Amerika is zij het meest in aanzien bij de bahá'í-vrouwen.

3] De Shaykhí school werd gesticht door Shaykh Ahmad-i-Ahsá'í in 1824. Hij was van mening dat de mens een stoffelijk en een geestelijk lichaam en ziel bezit. Slechts het geestelijk gedeelte wordt bij de wederopstanding opgewekt. Ook was hij ervan overtuigd dat de nachtelijke reis van Muhammad niet letterlijk genomen moest worden. Hij was verder bekend om zijn buitengewone verering van de Imáms en zijn geloof in de op handen zijnde verschijning van de Verborgen Imám.

4] Haar broer 'Abdu'l-Vahháb zei over haar: "Niemand van ons, haar broers en haar neven, durfde in haar tegenwoordigheid iets te zeggen. Zo werden wij door haar geleerdheid geďntimideerd. Als wij het waagden om enkele veronderstellingen over een geschilpunt in de leer naar voren te brengen, bewees zij op zo'n duidelijke, precieze en overtuigende wijze dat wij op een dwaalspoor zaten, dat wij ons ogenblikkelijk bedremmeld terugtrokken." (Nicolas, "Seyyčd Ali-Muhammad dit le Báb", pag. 273-274)

5] Haar twee zonen Ibráhím en Isma'il werden later mujtahids. De laatstgenoemde volgde zijn vader op als Imám-Jum'ih van Qazvín. (Amanat, "Early Years", pag. 255)

6] De term 'Letters van de Levende' heeft betrekking op de negentien Arabische letters waaruit het openingsvers van de soera's van de Qur'án bestaat. (behalve de negentiende): "In de naam van God, de Barmhartige, de Medelijdende." De Báb plus Zijn Discipelen vormen in totaal negentien 'Letters van de Levende'.

7] Volgens 'Abdu'l-Bahá herkende zij de Báb in een droom: "Op een nacht, toen het al licht begon te worden, legde zij haar hoofd op haar kussen. Zij verloor alle bewustzijn van dit aardse leven en had een droom. In haar visioen verscheen een jongeling in de hemel, een Siyyid, gekleed in een zwarte mantel en met een groene tulband om zijn hoofd. Hij stond in de lucht, verzen zeggend en biddend met opgeheven handen. Onmiddellijk leerde zij één dezer verzen uit haar hoofd en schreef het, toen zij wakker werd, in haar aantekenboek. Nadat de Báb Zich verklaard had, deed Zijn eerste boek getiteld: "De beste verhalen", de ronde. Op een dag las Táhirih een deel van de tekst en kwam toen hetzelfde vers tegen dat zij had opgeschreven na haar droom. Onmiddellijk haar dank betuigend, viel zij op haar knieën en boog haar voorhoofd tot op de grond. Zij was ervan overtuigd, dat de Boodschap van de Báb op waarheid berustte." ("Memorials of the Faithful", pag. 193)

8] Van haar bekende werken die nog bewaard zijn, bestaat er nog een brief geschreven aan haar neef Mullá Javad Valiyani, die bábí werd en vervolgens het Bahá'í-geloof verwierp. Zes andere werken zijn verschenen in "Zukur al-Haqq" van Fázil Mázandarání, waaronder een brief in het Arabisch aan Mullá Husayn; twee openbare toespraken; een brief gericht aan Ibn Alúsí, de Muftí van Baghdád; een verhandeling, geschreven ter verdediging van de Báb, die Zijn onschuld aantoonde. Tot slot twee brieven, gericht aan de bábí's van Isfahán.

9] Door de leringen van de Báb werd de positie van de vrouw verbeterd nl.: door de afschaffing van het tijdelijk huwelijk dat toegestaan werd bij de Shí'ah Islam, en de afschaffing van het privilege van de man om onmiddellijk van zijn vrouw te kunnen scheiden. Toch kon de positie van de vrouw nauwelijks als gelijkwaardig worden beschouwd.

10] In de boeken van: Shoghi Effendi, "God Schrijdt Voorbij", pag. 34; 'Abdu'l-Bahá, "Memorials", pag. 192; Martha Root, "Táhirih", pag. 44, en Nabíl-i-'Azam, "Dawnbreakers", pag. 293, wordt erop gewezen dat Bahá'u'lláh Táhirih haar titel gaf op de conferentie in Badasht en dat de Báb deze naam op een later tijdstip goedkeurde.

11] Táhirih bleef gewoonlijk gesluierd. Als zij echter een bepaald standpunt wilde verdedigen, deed zij haar sluier af; ongetwijfeld om een bepaald schokeffect te bereiken.

12] Nadat 'Abdu'l-Bahá dit voorval beschreven heeft, merkt hij op: "Deze dingen gebeurden voordat de Zaak echt was geopenbaard en alles duidelijk werd. Want in die dagen wist niemand dat de Openbaring van de Báb zijn hoogtepunt zou bereiken in de Openbaring van de Gezegende Schoonheid (Bahá'u'lláh), dat de wet van vergelding zou worden afgeschaft en het grondbeginsel van de Wet van God als volgt zou worden geformuleerd: "Het is beter voor u om gedood te worden dan om te doden." Tweedracht en strijd zouden verdwijnen, evenals de heerschappij van oorlog en bloedvergieten."

13] De vader van Táhirih bleef overtuigd van haar onschuld en haar kuisheid maar de beschuldigingen bezorgden hem veel verdriet. Op een vrijdag las de voorganger van de dienst in de moskee van Qazvín een vers voor waarmee hij de spot dreef met Mullá Sálih: "Geen eer rest er nog in het huis, waarin de hennen kraaien als de haan." Men zegt dat Mullá Sálih zweeg hoewel de tranen over zijn gezicht stroomden.

14] Het is duidelijk dat Bahá'u'lláh heeft geholpen om een verzoening tot stand te brengen. Uit Zijn handelwijze in de jaren daarna blijkt dat, hoewel Hij een volledige breuk met de Islám voorstond, Hij in geweldloze middelen geloofde om dat doel te bereiken.


Táhirih als voorbeeld
Deel 2

In de inleiding noemde ik Táhirih een religieus voorbeeld van vrouwelijkheid voor de Bahá'ís, vergelijkbaar met Sita, Fátimih en de Maagd Maria. Maar ook door niet-Bahá'ís wordt zij vaak gezien als iemand van meer dan gewone betekenis.

Ver voordat het Bahá'í Geloof in het Westen verspreid werd, werden Europeanen door haar geďnspireerd en gefascineerd. Lord Curzon noemde haar leven "één van de meest aangrijpende episodes in de moderne geschiedenis" (Polak, "Persien, das Land und Seine Bewohner...", pag. 497, nr. 2).

Marie von Najmajer, een getalenteerde Oostenrijkse dichteres, hoorde in 1870 van Táhirih en wijdde haar grootste gedicht aan haar leven. Marianne Hainisch, de moeder van een Oostenrijkse president en de oprichtster van de Nieuwe Vrouwen Beweging in Oostenrijk, beweerde datzelfde jaar door Táhirih te zijn geďnspireerd.

In 1925 schreef zij: "Mijn hele leven lang is Táhirih van Qazvín, Iran, mijn grootste voorbeeld geweest. Ik was nog maar zeventien jaar toen ik van haar leven en haar marteldood hoorde, maar ik zei, 'Ik zal proberen datgene voor de vrouwen in Oostenrijk te doen waarvoor Táhirih haar leven heeft gegeven voor de vrouwen in Perzië.'" (Root,"Táhirih the Pure",pag.112)

Sarah Bernhart, de beroemde toneelspeelster, verzocht de toneelschrijver Catulle Mendes een gedramatiseerde versie te schrijven van Táhirih's leven. Hij noemde Táhirih "de Perzische Jeanne d'Arc, de aanvoerster van de emancipatie der vrouwen in het Oosten, die veel gelijkenis vertoonde met zowel de middeleeuwse Heloďse als met de neoplatonische Hypatia..." (Shoghi Effendi, "God Schrijdt Voorbij", pag. 80).

Edward Granville Browne schreef het volgende over Táhirih:
"Het optreden van een vrouw zoals Qurratu'l-'Ayn is in ieder land en in iedere tijd een zeldzaam verschijnsel, maar in een land als Perzië is het een wonder. Haar schitterende schoonheid, haar zeldzame intellectuele begaafdheid, haar vurige welsprekendheid, haar onvervaarde devotie en haar glorieuze marteldood, maakt haar onvergelijkelijk en onsterfelijk onder haar landgenotes. Als de Bábí religie geen andere aanspraak maakte op grootsheid, dan was dit reeds voldoende dat het een heldin zoals Qurratu'l-'Ayn voortbracht". "A Traveller's Narrative written to Illustrate the Episode of the Báb", pag. 309.

Voor de Moslim geleerden geldt Táhirih vaak als een archetype van een geheel andere soort. Voor hen is zij het voorbeeld van de gevaarlijke en verleidelijke hoer, een schoolvoorbeeld van het gevaar dat ontstaat wanneer men vrouwen teveel vrijheid toestaat. Een van hen beschrijft haar verhaal als volgt:

"Het lijkt alsof God de vrouw heeft geschapen als beproeving voor de man. Net zoals het verboden is de wijn te naderen, zo is het ook verboden om die andere verleiding dicht te naderen, namelijk de vrouw.

Wanneer mooie vrouwen hun bescheidenheid opzij zetten dan is vernietiging het gevolg. Zo'n vrouw was Qurratul Ayn in Iran.

Qurratul Ayn was een bijzonder mooie vrouw. Ze was goed opgeleid en welsprekendheid was één van haar bijzondere gaven. Zij kon gedichten schrijven in het Perzisch...

Toen zij ontdekte dat Ali Mohamad Baab een nieuwe godsdienst had gesticht, accepteerde zij niet alleen deze nieuwe godsdienst maar werd tevens één van zijn voorvechters. Om mensen te verleiden volgeling van deze nieuwe religie te worden, verwierp zij de Pardah, en begaf zij zich, in haar volle schoonheid, onder de mensen en begon zij de nieuwe religie te verkondigen. Zij slaagde er dankzij haar schoonheid in, om een groot aantal mensen te overtuigen. Haar familie verzette zich tegen haar, maar zij bleef volharden en gaf niet toe. Zij vreesde haar ooms wraak, want zij gaf haar geliefden opdracht om deze heilige ziel te vermoorden. Een aantal van hen ging op zoek naar haar oom, zij ontdekten dat hij in de moskee aan het bidden was en vermoordden de Mujtahid terwijl hij in gebed was.

Toen zij verlost was van haar belangrijkste tegenstander, ging zij onverschrokken verder met het verkondigen van haar hedonisme... Dankzij haar optreden verkeerde heel Iran in een staat van spanning. De Keizer van Iran stuurde zijn leger om haar gevangen te nemen... Toen de verderfelijke Qurratul Ayn voor het Koninklijk hof werd gebracht trad zij de Sjah ongesluierd tegemoet. De Sjah wendde het hoofd af maar anderen begonnen stiekem haar prachtige schoonheid te bewonderen..." Ghulamali, "Zehra Bano", pag. 100-101

Niet één bábí- of bahá'í-held of heldin sprak zo tot de verbeelding van de westerse Bahá'ís als Táhirih. Er zijn talrijke romans over haar geschreven.[1] Deze verering is deels veroorzaakt door het feit dat het Geloof in het Westen grotendeels door vrouwen werd beheerst. Vreemd genoeg geven de verslagen een behoorlijk onvolledig beeld van Táhirih. Zo wordt er, bijvoorbeeld, nauwelijks gewag gemaakt van haar leiderschap van de Shaykhí gemeenschap in Karbilá. Het verhaal dat Táhirih met een zwaard zwaait en zo de gebeden van Quddús verstoort kan in geen van de westerse verslagen worden gevonden. Deze houding kan voor een deel worden toegeschreven aan het feit dat de bahá'ís slechts mondjesmaat aandacht besteden aan militante aspecten van de bábí-religie, gezien hun vredelievende en non-politieke status van tegenwoordig. Maar de algemene conclusie is dat Táhirih als een veel krachtiger persoonlijkheid uit de Perzische bahá'í-bronnen te voorschijn komt dan uit de westerse.

Maar als Táhirih voor de bahá'ís het ideale voorbeeld is van vrouwelijkheid, dan doen we er goed aan om te onderzoeken welke eigenschappen aanbevelenswaardig zijn en welke eigenschappen er beslist niet moeten zijn. Dit voorbeeld suggereert dat vrouwen assertief zijn, intelligent, welsprekend, hartstochtelijk toegewijd en nog mooi ook. De eigenschappen die afwezig zijn vindt men wel vaak in andere vrouwelijke ideaalbeelden: toewijding aan het gezin, bescheidenheid, zachtaardigheid en onderdanigheid.

Op welke manier wordt het leven van bahá'í-vrouwen beďnvloed door de eigenschappen die Táhirih tentoonspreidde, vooral van die vrouwen die in een culturele omgeving leven waarin deze eigenschappen niet als vanzelfsprekend de nadruk krijgen? Yazd is een stad in Centraal Iran met een reputatie van conservatisme en religieus fanatisme. De antropologe Judith Goldstein verrichtte in de periode 1973-1975 veldwerk onder de religieuze gemeenschappen in Yazd. Zij nam waar dat bahá'í-vrouwen, in tegenstelling tot vrouwen van andere gemeenschappen, in vrijheid met mannen omgingen en dat zij op nagenoeg gelijkwaardige wijze deelnamen in religieuze bijeenkomsten. Het principe van gelijkwaardigheid van man en vrouw was veelvuldig onderwerp van gesprek, om de superioriteit van de bahá'í-leringen aan te tonen. Inachtnemend dat voor bahá'ís, "welsprekendheid een aangeleerde deugd is zou men kunnen stellen dat het een vervanging is voor openbare gemeenschappelijke rituelen" (Goldstein, "Interwoven Identities", pag. 206).

Verder zegt zij: "Bahá'í vrouwen voeren religieuze gesprekken op een totaal andere wijze dan in meer traditionele kringen gebruikelijk is. Het kundige gebruik van de metafoor en de beheersing van het argumenteren zijn daar voorbeelden van... De actieve houding van Bahá'í vrouwen wordt uitgedrukt in welsprekendheid" (Goldstein, "Interwoven Identities", pag. 227).

Zoals dr. Goldstein aantoont is de onsterfelijke heldin Táhirih het model voor de uitgesproken bahá'í-vrouw. Dit model is zeker niet onaantastbaar. Andere vrouwen zoals Bahíyyih Khánum worden dikwijls aangevoerd als model voor vrouwen die de meer traditionele rol van ondersteuning spelen. De figuur Táhirih vertegenwoordigt echter een uniek voorbeeld in de godsdienstgeschiedenis. Uiteindelijk zal alleen de toekomst leren of de bahá'í-gemeenschap alle mogelijkheden van dit voorbeeld zal weten uit te buiten.

noten:
1] Waaronder "Táhirih" door Clara Edge, "From Behind the Veil" door Kathleen Jemison Demas, en een kort verhaal dat in "World Order" verscheen onder de titel "Thralls of Yearning Love" door Dimitri Marianoff en Marzieh Gail. terug

Uit Bahá'í Vizier van juli en november 1993
Oorspronkelijk verschenen in:
"The Journal of Bahá'í Studies", 2-2-1989; pag. 39-52
Nederlandse vertaling en bewerking: Martin Galama, Rita Voerman en Ellen Kersten-Gramsma
Stichting Bahá'í Literatuur, Den Haag

SiteMap
Home
English
Farsi
Images

Poems
Tahirih's gedichten

Links
Het Tahirih instituut
tahirih justice center
Tahirih Association
expage
Tahirih "A Poetic Vision"
TrueSeeker
humanscapeindia